|
|
||||
|
Heraldische Wapens in de Nederlanden |
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
Heraldische Wapens Historische
Geslachtswapens Heraldische
Wapenkunde Heraldische
Wapenregisters |
|
De KOCK |
||
|
- |
||||
|
|
||||
|
De Kock |
Wapenschild: In zilver een gouden korenhalm met drie aren, de
rechter en linker afhangend, staande op twee dooreengevlochten, verkorte, zwarte
kepers, waarvan één omgekeerd. Helmteken: Een zilveren
vlucht. Dekkleden: Zwart,
gevoerd van zilver |
|||
|
- |
||||
|
|
||||
|
DE KOCK (PLAAT 47). |
||||
|
|
||||
|
Johan Koenraad de Kock,
geb. te Heusden, was eerst advokaat
aldaar en in 1786 en 1787 pensionaris te Wijk bij Duurstede, waar hij de zaak
der patriotten zeer voorstond, zoodat hij het
raadzaam achtte, toen de omstandigheden verkeerden, het land te verlaten. Hij
ging naar Frankrijk en vestigde zich te Passy, doch
geraakte gedurende den revolutie-tijd gelijk
zoovele anderen in verdenking en werd als vermeend samenzweerder 24 Maart
1794 geguilottineerd. |
||||
|
|
||||
|
De
oudste zoon uit zijn huwelijk met Petronella Merkus
was Hendrik Merkus
de Kock, geb. te Heusden 25
Mei 1779. Hoe onmiskenbaar diens verdiensten mogen geweest zijn, levert zijne
geschiedenis toch een merkwaardig voorbeeld op, hoe het in die tijden met
benoemingen ging. Nauwelijks 15 jaren oud als klerk op een bankierskantoor geplaatst,
werd hij kort daarna als tweede luitenant aan den staf van generaal Daendels verbonden, maar in 1795 vindt men hem als
ambtenaar bij het comité van openbaar welzijn in Holland en twee jaar later
was hij geëmployeerd bij het ministerie van oorlog
te 's Gravenhage. Dit alles belette niet, dat hij in 1801 tot luitenant ter
zee en secretaris van de vloot onder den vice-admiraal
de Winter werd aangesteld. In 1803 was hij fiskaal
der „Hollandsche flottille" en
reeds in 1804 chef van den staf dier flottille met
rang van „kapitein ter zee". In 1806 als opper-equipagemeester
der marine naar Java gezonden, werd hij kort na zijne aankomst te Batavia
door den gouverneur-generaal Wiese tot diens
adjudant aangesteld. Daendels benoemde hem in 1808
tot kolonel en in 1809 tot brigadier en kommandant
der militaire divisie te Samarang. In 1811 chef van
den generalen staf van Janssens, werd hij als
zoodanig door de Engelschen krijgsgevangen gemaakt.
Na de herstelling van het Huis van Oranje ontslagen, benoemde Koning Willem I
hem in 1814 weder tot kolonel en in het volgende jaar tot generaal-majoor. Hij
keerde in 1817 naar Indië terug, nam in 1818 het bestuur over de Molukken op zich, zag zich een halfjaar later tot kommandant van het Indische leger benoemd en voerde als
zoodanig in 1821 het bevel over de expeditie tegen Palembang, op wier gunstigen afloop zijne bevordering tot luitenant-generaal
volgde. Als luitenant-gouverneur van
Nederlandsch-Indië, waartoe hij 1822 benoemd was, aanvaardde hij het bestuur
in 1826 na het vertrek van den gouverneur-generaal van der Capellen en leidde tot 1830 den oorlog tegen Diepo Negoro, na wiens ten
onder brenging hij in Juli van dat jaar naar
Nederland terugkeerde. Gedurende
den oorlog met België had hij het opperbevel in Zeeland en in Dec. 1836 werd
hij met de portefeuille van binnenlandsche zaken
belast, die hij tot in 1841 behield, toen de Koning hem tot minister van
staat benoemde. Hij
was ook eenigen tijd lid der Eerste Kamer en
overleed te 's Gravenhage 12 April 1845. Bij
Koninklijk besluit van 10 Jan. 1835 en diploma van 21 Maart van dat jaar werd
hij tot den adelstand verheven
met den titel van Baron, overgaande op zijne wettige mannelijke
afstammelingen bij recht van eerstgeboorte. |
||||
|
|
||||
|
Uit zijn in Indië gesloten huwelijk met Wilmina
Louise Gertrude Barones von Bilfinger sproot o.a.
Jhr. Mr. Frederik Lodewijk Willem
de Kock, den 20 Juni 1881 op 62jarigen leeftijd te 's
Gravenhage overleden, oud-directeur van het Kabinet des Konings, minister van
staat, aan wien bij Koninklijk besluit van 3 Mei
1881 de titel van Baron werd verleend, overgaande op al zijne wettige
afstammelingen. Hij was geh. met Jkvr. A. C. C. des Tombe. |
||||
|
|
||||
|
Een jongere zoon van Johan Koenraad de Kock en Petronella Merkus was Johannes
Petrus de Kock, geb. te Heusden 2 Mei 1780 en overl. te Parijs
in Nov. of Dec. 1858. Hij trad vroegtijdig in militaire dienst, was reeds op zijn
15de jaar tweede luitenant der infanterie, maakte al de veldtochten van
Napoleon mede en werd op het slagveld tot kolonel bevorderd. |
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
Uit: |
||||
|
|
||||
|
Hoewel er naar gestreefd is correcte
informatie te verschaffen, kan niet worden gegarandeerd dat de informatie op
het moment waarop deze is geplaatst na verloop van tijd nog steeds juist is.
Aan de inhoud van deze webhalte kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. |
||||
|
|
||||